‘Onderzoek alle dingen, behoud het goede’

DSC_0135

 

 

 

Geschiedenis is de rode draad in het leven van Klaas de Boer (Giessendam, 1953). Hij praat met warmte over het gezin, waarin hij opgroeide en de keuzes die hij leerde te maken. “Je bent verantwoordelijk voor je eigen leven, de mensen om je heen en de rol die je in de maatschappij speelt”. In een adem voegt hij eraan toe: “Of klinkt dat aanmatigend?”. Zijn vader was veearts, moeder verpleegkundige en ze stimuleerden sterk het intellectuele gesprek. Naar de kerk gingen ze niet maar vader, uit een doopsgezind milieu, was bevriend met de plaatselijke hervormde predikant. ‘Je kunt ook op zaterdag de was doen’. Klaas volgde bij de vrijzinnige Protestantenbond de zondagschool.

Dus was het logisch dat Klaas, ondanks een MULO-advies, naar het gymnasium ging. En misschien was het ook vanzelfsprekend dat hij in klas 3 en 4 bleef zitten. Hij had andere dingen te doen en toen al tekende zich af wat er centraal zou staan in zijn latere leven: samen met vrienden richtte hij de plaatselijke ‘Jeugdbond ter bestudering van geschiedenis’ op, gaf het bijbehorende tijdschrift uit en was net zo voor de hand liggend redacteur van de schoolkrant. Ze onderzochten de omgeving, deden aan archeologie, zochten naar scheepswrakken in de polder. Dat hij na zijn militaire diensttijd in Utrecht geschiedenis ging studeren stond dus al in de sterren geschreven. Dat de Rabobank 2.500 exemplaren van zijn afstudeerscriptie kocht, tekende zijn zakelijk talent.

Met zijn vrienden uit de middelbare schooltijd hield hij zijn leven lang contact. Als studenten richtten ze in 1981 uitgeverij Matrijs op, gespecialiseerd in lokale geschiedenis. Matrijs bestaat nog steeds, al is Klaas er niet meer direct bij betrokken. Want soms moet je afscheid kunnen nemen. En het leven is eindig, zoals hij ervoer met één van zijn vrienden die een paar jaar geleden aan darmkanker overleed. Klaas kon hem bijstaan, had daar tijd voor toen, nadat er een kink in zijn lange loopbaan was gekomen. Door er te zijn voor zijn vriend, vond zijn eigen leven ook vervulling. De kanker was Klaas zelf eerder al tegengekomen, rond zijn veertigste, maar die had hemzelf er niet onder gekregen.

De Franse historicus Fernand Braudel is zijn geestelijk vader: Braudel beschreef de drietrapsmotor, bestaande uit structuren, conjuncturen en evenementen. Kort gezegd: zelfs ingrijpende gebeurtenissen, zoals de tweede wereldoorlog beïnvloeden de structuur van de maatschappij nauwelijks, er is als het ware een doorgaande ‘sociologische’ lijn. Het past in de beschouwende en relativerende aard van Klaas, die versterkt werd door wat hem in zijn leven overkwam, zoals zijn ziekte en scheiding, later ontslag.

Het leven na zijn studie tekent zich af: een indrukwekkende trip langs diverse uitgeverijen van naam, waar hij als directeur zijn stempel op kon drukken en na verloop van tijd weer vertrok, omdat hij meer van het bouwen, het (re)organiseren en het innoveren is dan van het beheren. Gottmer, Kosmos, ANWB, Zomer & Keuning, Bohn Stafleu van Loghum, tot het in 2007 abrupt stopte. BSL werd overgenomen door Springer en Klaas was niet meer nodig. Dus ja, toen kwam het bord in de tuin: “Kennis en ervaring te huur. Amerstone, thuis in uitgeven’, vervolgens een interimperiode bij Terra/Lannoo en opnieuw het bord in  de tuin.

En viel alles op zijn plaats bij 227, het bureau dat de smeerolie in de mediawereld is. Klaas koppelt mensen aan de goede omgeving en omgekeerd. Niet alleen door te bemiddelen, maar ook door te coachen, columns te schrijven, cursussen te organiseren en aan structuren te morrelen. “We moeten bij uitgeverijen niet meer in hokjes denken of in hiërarchieën. De organisatie kan veel flexibeler. Welke rol wil je, daar gaat het om. Managers verdwijnen meer en meer. Ben je allround of juist supergespecialiseerd? Weg met die overvloed aan rapportages. Tegenwoordig moeten we verantwoordelijkheden laag leggen, niet via functie-beschrijvingen creativiteit en ondernemingszin doodmaken. De uitgeefwereld kan nog veel professioneler, veel meer marktgericht, ook in de bewerking van de markt, dat gaat door alle lagen heen, beperkt zich niet tot een marketingafdeling”. En, in het algemeen zijn verzuchting: “Alsjeblieft meer diepgang!”

 

‘Je moet je lamp niet onder de korenmaat zetten, maar juist op een standaard’

hanswopereis

 

 

 

Het lijkt de kern van de levensweg van Hans Wopereis (Haarlem, 1962): wat kun je leren van de vorige generatie? Hoe maakten en maken zij hun keuzes, wat betekent dat voor mij? Als student besloot hij zijn tot dan aangepaste leventje om te gooien om voortaan te gaan leven vanuit zijn eigenlijke ‘ik’. Eén vrouw en één man openden op die levensreis zijn ogen.

Vader Wopereis ging als eerste in het arbeidersgezin uit de Achterhoek (rechten) studeren. Hans’ moeder maakte op jonge leeftijd mee dat haar vader na een herseninfarct bijna niet meer kon spreken en werd logopediste. Na hun studies vertrokken ze naar Haarlem, waar vader boeren in Noord-Holland begeleidde, toen daar in de jaren zestig de grote ruilverkavelingen gestart werden. Het lukte om de enorme veranderingen in het oude boerenlandschap en in de werkwijze, van onderop te organiseren in plaats van ‘top-down’. Hans voelt zich op één lijn staan met zijn vader als het gaat om deze coöperatieve manier van denken. Hij vindt dit passen in deze tijd waarin steeds meer mensen hun eigen leiderschap willen inzetten en herkent deze kantelende beweging op allerlei plaatsen in de samenleving, van buurtzorg, schoonmaakbranche tot onderlinge arbeidsongeschiktheidverzekeringen, de zogenaamde broodfondsen.

Hans was een gevoelige, idealistische, bijna feminiene jongen die – geplaagd door andere kinderen – als puber zich ging aanpassen om  stoer en mannelijk te zijn, niet meer die afschuwelijke bijnaam ‘Watje Wop’ wilde dragen. Dus ging hij rechten in Leiden studeren en werd hij lid van Minerva. Liet zich meeslepen in de sterke groepscultuur van het studentencorps, maar raakte meer en meer vervreemd van zichzelf. ‘Die cultuur zou ik nu intolerant, oppervlakkig, bijna fascistoïde noemen’. Hij ontmoette zijn latere vrouw en vond in haar moeder degene die voor de eerste keer zijn ogen opende: aan haar – de vrouw die zelf haar leven had omgegooid – durfde hij te bekennen hoe zeer hij de weg van zichzelf was kwijtgeraakt. Maar pas toen zij plotseling overleed, kon hij de knoop doorhakken. Hij werkte in 1985 een jaar voor de ideële Leidse Veerstichting, die samenspraak tussen generaties organiseert en studenten laat kennismaken met hun voorgangers, de zogenaamde ‘vormgevers’. In deze omgeving ontmoette hij Jaap Voigt, zijn tweede leermeester en mede-oprichter van ITIP (‘voor wie wil leren leven en werken vanuit bezieling en vertrouwen’). Jaap nam hem onder zijn hoede, wilde weten wie hij werkelijk was en stimuleerde hem zijn maskers af te doen en zijn idealistische en gevoelige kant weer een plaats te geven. Hij brak met Minerva, ging niet de harde, juridische kant op, maar volgde Jaap naar het ITIP. Sindsdien is hij zijn hele leven actief als begeleider en adviseur op het kruisvlak van persoonlijke en organisatieontwikkeling.

Samen met zeventien andere deelnemers is hij mede-eigenaar van de coöperatie ITIP (www.itip.nl). Hij vond zijn bestemming, werkt en woont in een oude boerderij (!) in Empe, bij Zutphen, samen met vrouw, kinderen en het gezin van zijn beste vriend en mede-directeur van het ITP. Leven en werk vallen samen. De mensen van ITIP schudden organisaties wakker, ontmaskeren wat onecht is en helpen te veranderen. Maar ook mensen die – zoals Hans indertijd zelf – vastgelopen zijn, kunnen bij ITIP terecht voor een meerjarige opleiding, gericht op bezieling en vertrouwen in jezelf.

Hans schreef ‘Het licht en de korenmaat, je ziel als werkgever’, in de kern een klemmende oproep aan de individuele mens, medewerker om niet onder te gaan in de groepscultuur van aanpassen, maar juist het verschil te maken en die cultuur te doorbreken. ‘Dat is wat Jezus zegt: je moet je licht niet onder de korenmaat zetten (= verborgen houden, ongezien), maar op een standaard zetten,  je talent mag niet verborgen blijven’.  Moeder Wopereis las vroeger in het katholieke gezin voor uit de kinderbijbel, Hans zoekt naar de eigentijdse, of liever de innerlijke betekenis van de oude verhalen. Hij refereert aan het bekende schilderij van Rembrandt over het verhaal van de oudtestamentische Jacob die met de engel Gods vecht. Rembrandt schilderde Jacob met gesloten ogen, zag dus toen al dat het in wezen om een innerlijke strijd ging, Jacob vocht met zichzelf. Zoals Hans dat deed en misschien wij allemaal wel.

 

‘In ervaringen van verwondering en verwonding zit geluk’

DSC01594

 

 

 

De ree staat aarzelend voor ons, nauwelijks veertig meter verderop. We houden de adem in, staan achter het glas van de voorgevel  en toch is het net of het hertje ons vermoedt. Hij scharrelt nog wat rond, laat zich even van opzij bewonderen en draait dan zijn spiegel naar ons toe en verdwijnt tussen de struiken en de bomen.

Renske van Lierop (Heeze, 1987) is frêle als een hert en haar bruine ogen zijn misschien net zo onderzoekend. Samen met haar vriend bewoont ze een deel van een schitterend oud klooster, op een landgoed nabij Hilversum. Hoge plafonds, een konijn dat gezellig rond hupt en zigeunerinnetjes aan de wand. ‘Het huilende zigeunerjongetje hing er ook, maar dat heb ik weggedaan, te triest’.

Ze groeide op in het Brabantse land, waar haar familie geworteld is, van generatie op generatie. Een katholiek gezin, vooral cultureel katholiek, omdat iedereen nu eenmaal zo was. Ze werd gedoopt, deed communie, geen vormsel. ‘Ik voelde me helemaal niet schuldig of zondig, zoals de pastoor meende’.  Al vroeg wilde ze weg uit die voor haar benauwende omgeving. Toch kan ze nog verlangen naar de oude rituelen van Kerst en Pasen. Niet per se vanuit christelijk perspectief, maar vanwege de verbinding, de geborgenheid en misschien de nestgeur.

Ze was zeventien toen haar vader ernstig ziek werd. Ze zette zich graag tegen hem af, tegen zijn neiging om te beschermen en de controle te houden. ‘Hij vond dat je altijd 2.000 euro op je spaarrekening moest hebben’. Door zich af te zetten, gaf ze richting aan haar eigen leven. Na het gymnasium deed ze een talenstudie in Spanje. Haar vader zocht haar op en was trots op haar, omdat ze wegtrok en deed, wat hij eigenlijk ook gewild had. Toen hij zieker en zieker werd en zijn eigen sokken niet meer kon aantrekken, deed Renske dat voor hem: ‘Die eenvoudige handeling, zonder praten en toch heel dichtbij, maakte dat we verbonden werden’. Vader overleed toen Renske twintig was. Afzetten kon niet meer.

Ze ging in Utrecht studeren, aan de Universiteit voor Humanistiek. Daar zaten gelijkgestemde mensen en kon ze opgaan in de theorie en de praktijk van levensvragen. Ze voelt zich nog teveel een ‘spons’ die alles opzuigt, om nu al zelf geestelijk begeleider te willen zijn. ‘Eerst steviger worden’. Mede daarom doet ze nu, begeleid door Christa Anbeek, promotie-onderzoek, want ze wil voortbrengen en creëren. Zoeken naar de vraag hoe je geestelijke begeleiding in deze tijd, waar God geen rol meer lijkt te vervullen, kunt vernieuwen. ‘Zit er iets van waarde in kwetsbaarheid? Ervaringen van diep verdriet én van grote blijdschap breken de mens open. Er zit winst in het moment dat je geen controle meer hebt. Wat toont zich dan belangrijk voor mij? In de open, naakte ontmoeting van mens tot mens komt waarachtige verbinding tot stand.’ Ze laat het plaatje zien dat op haar notitieboekje is geplakt: ‘Paradise regained’, een fotostrip van Duane Michals: twee mensen die steeds naakter worden, te midden van natuur die hun kamer meer en meer beheerst.(http://www.christies.com/lotfinder/photographs/duane-michals-paradise-regained-1968-5165268-details.aspx). In de ervaringen van verwondering en verwonding zit geluk, zegt ze

Een tijd na de dood van haar vader liep ze de Camino, de pelgrimstocht naar Santiago. Onderweg huilde ze af en toe, maar ze bleef in beweging, voelde zich nooit alleen, ook dankzij de andere pelgrims. Ze merkt hoe goed het haar doet om fysiek aan de slag te gaan, als ‘haar hoofd te vol zit’: koken,  fotograferen, knutselen, dicht bij de aarde. Ze parafraseert de dichter Rilke: ‘Doe wat je moet doen. Volg de noodzaak in je zelf’. Rilke beantwoordt in 1903 een vraag van een briefschrijver als volgt: ‘U vraagt of uw verzen goed zijn. U vraagt dat aan mij (…). Ik verzoek u bij deze daar helemaal van af te zien. U richt uw blik op de buitenwereld, en dat zou u vooral niet moeten doen. Niemand kan u raad geven en helpen, niemand. Er is maar één enkel middel. Voel uzelf aan de tand. (…). En vooral dit: vraag uzelf in het stilste uur van uw nacht af: MOET ik schrijven? Wroet in uzelf naar een ernstig antwoord. En zo dit bevestigend luidt, zo u die serieuze vraag kunt beantwoorden met een krachtig en eenvoudig ‘ik moet’, stem dan uw leven af op die noodzaak; uw leven, zelfs het onbeduidendste en geringste ogenblik ervan, moet in het teken staan van deze aandrift en ervan getuigen. Dan komt u nader tot de natuur. Dan probeert u, alsof u de eerste mens was, te verwoorden wat u ziet, beleeft, lief hebt en verliest.’

‘Ja, ik ben serieus’, zegt ze. ‘Maar ik wil ook spelen en wild dansen, onbezonnen blij zijn, we moeten de wereld verwonderen en ontregelen’.

“Zonder geschiedenis heb je geen morgen”

Dieter Prommersberger

 

 

 

Hans-Dieter Prommersberger (Hückelhoven (D), 1943) is een intrigerende man met een bijzondere geschiedenis, getekend en gevormd door vader Josef die vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog sneuvelde tijdens het Ardennenoffensief. Hans-Dieter was toen anderhalf, dus het is wellicht beter om te zeggen dat hij getekend en gevormd werd door het ontbreken van zijn vader en diens sterven als soldaat. Tot op de dag van vandaag wordt zijn denken mede bepaald door deze geschiedenis. Hij las ademloos ‘Die vaterlose Gesellschaft’ van Mitscherlich: wat betekent het om zonder vader op te groeien?  Hij vroeg zich al jong af hoe het kon gebeuren dat in een land met zo’n hoogstaande cultuur de nazi-barbarij voet aan de grond kreeg. Hans-Dieter weigerde militaire dienst en ondersteunde anderen die ook niet in de Bundeswehr wilden. Hij was actief in de Evangelische Kirche en luisterde naar Dorothee Sölle die theologie politiek maakte. In het Duitsland van na de oorlog waren er zoveel vragen, dat het denken over God, het heil en de rechtvaardigheid wel politiek gemaakt moest worden. Prommersberger was geweldloos, begreep de Rote Armee Fraktion van Andreas Baader en domineesdochter Ulrike Meinhof, maar haakte af toen de RAF het eerste slachtoffer maakte. Hij noemt tegelijk de Nederlanders in de jaren zestig en zeventig revanchistisch. Men wilde niet praten, alleen veroordelen en de slachtofferrol koesteren. Zo ervoer hij het tenminste toen hij zijn aanstaande (Nederlandse) vrouw ontmoette in 1965 en kennismaakte met ons land. Nog in 1993 stuurden opgehitste (en zich superieur voelende) Nederlanders boze briefkaarten aan bondskanselier Kohl, vanwege de brand in een asielzoekerscentrum.

Hij is goed in wat hij noemt ‘uitluisteren’, horen wat niet gezegd wordt. Zijn nieuwsgierige blik wordt op een bepaalde manier dwingend, want hij wil confronteren en scherp zijn. Rond zijn 35e vertrok hij in 1978 met zijn vrouw vanuit Duitsland naar Driebergen, waar hij oecumenisch jeugdwerkbegeleider werd. Dat ze hem, Duitser nota bene, vroegen voor deze baan maakte hem trots. Voor Hans-Dieter waren mensen als prins Claus, ambassadeur Von der Gablentz en bondspresident Von Weizsäcker de wegbereiders voor een betere verstandhouding tussen Duitsers en Nederlanders. Er zijn zoveel parallellen tussen beide landen en volken, vind hij, maar een verschil is o.a. dat in Nederland de school gebaseerd is op kinderen, terwijl in Duitsland de schoolstructuur centraal staat en daar kinderen bij gezocht worden.

‘Ik wil er alles uithalen om een mens te leren kennen en begrijpen’, zegt hij. In Driebergen ging hij langs de deuren om handtekeningen voor het (pacifistische) IKV te verzamelen. Onderweg kwam hij de man tegen die hetzelfde voor tegenpool ICTO deed. ‘Ik heb een uur met hem gepraat, om te begrijpen, niet om te overtuigen. Deze man had het bombardement op Rotterdam meegemaakt, snap je, ik had begrip voor zijn actie. Zonder geschiedenis heb je geen morgen’.

Later werkt hij als docent en consultant aan de hogeschool Windesheim in Zwolle. Daar ontwikkelt hij het ‘kiemcelmodel’, dat ervan uitgaat dat de kern van de mens, zijn ‘ik’, zijn levensloop, zijn waarden en normen en existentiële kenmerken centraal moeten  staan in denken, voelen en handelen. Wie die kern van zichzelf niet kent en zaken tot de kiemcel toelaat die niet bij hem horen, past zich op een onjuiste manier aan in het leven en krijgt vroeg of laat problemen. Via reflectie en gesprekken kom je tot je eigen kern, je ‘Sein’. Hans-Dieter past dit model ook toe op organisaties.

Het leven is mooi, familie en vrienden worden belangrijker, nu hij ouder wordt. Hij noemt zich existentialist, verantwoordelijk voor eigen daden en lot, hij moet het leven zelf zin geven.’Je moet jezelf niet afvragen waarom iets gebeurt, want daar krijg je geen antwoord op. ‘Hoe komt het?’ is veel interessanter’. Je moet lering trekken uit het leven, vragen stellen, mensen bewust maken van hun ‘Sein’.  In Zuurdijk (Groningen) hebben hij en zijn vrouw twee graven gekocht die nooit geruimd zullen worden. Dat is voor hem een troostrijke gedachte. Een mooie plek, bij de kerk op een wierde. Zijn gezicht wordt zacht als hij vertelt over de meester van de lagere school in Duitsland door wie hij, de jongen zonder vader, gezien werd. En het ontroert als hij vertelt over de reis van zijn gezin naar het graf van vader Josef, daar in de mooie Eiffel. Enkele kleinkinderen zijn vernoemd naar Josef. Hans-Dieter weet niet wat ‘vader’ is maar wil een goede vader zijn.

 

“Levende vissen zwemmen tegen de stroom in, dode drijven mee.”

DSC00949 (1)

 

 

 

‘Ik kom er aan, Tom, sta vast in de Daalsetunnel’, zo steekt Roland Pelle (Utrecht, 1953) onderweg in zijn auto al van wal, nog voordat ons gesprek begonnen is. En dus komt hij al pratende de trap naar mijn woonverdieping op en gaat in één vloeiende beweging onze begroeting over in het gesprek over zijn drijfveren. Wie is de man, die de reclamebranche en Sport 7 verliet om uitgever bij Het Parool te worden en daarna de jongerenkrant Kidsweek oprichtte, uitbouwde en weer moest loslaten?

Hij kwam als uitgever bij Het Parool, toen Matthijs van Nieuwkerk en Frits Campagne de krant leidden. Zij lieten Het Parool de beat van de stad pakken, omarmen, er onderdeel van zijn. Voor Roland leek de cirkel rond: zijn vader had in de oorlog deze verzetskrant stiekem rondgebracht in Den Haag en het was in de jaren negentig een feest om mee te maken hoe het oude motto ‘Vrij, onverveerd’ de redactie inspireerde om alles uit hun talenten te halen. De verhalen van mensen als John Jansen van Galen, Theodor Holman en Peter van Straaten brachten Pelle er toe vol voor Het Parool te gaan. Liefde voor de krant, dingen boven water krijgen, poortwachters van de democratie, journalistieke normen, voor Roland Pelle zijn het wezenlijke begrippen, die hij tegenwoordig in bijvoorbeeld sociale media nogal eens mist. Geweldig was het om een bijdrage aan de krant te mogen leveren.

Hij is eigenlijk zijn leven lang al bezig met jongeren, kinderen en de overdracht van kennis en waarden. Zeer begaan met alle uitdagingen en druk waar ze voor staan: presteren, in vier jaar afstuderen, sociaal actief zijn, niet iedereen kan dat, terwijl het wel wordt verwacht. ‘Je deelt je ervaringen en mislukkingen met ze, maar je kunt de fouten die kinderen maken niet voorkomen’. Zijn dochter knipte op een ochtend artikelen uit de krant en nam ze mee naar de basisschool. Toen Roland een kijkje in de klas nam, zag hij dat haar knipsels de enige waren die er hingen. Op dat moment werd Kidsweek geboren. Het kon toch niet dat kinderen opgroeiden zonder krant en de kennis en inzichten die je op die manier kunt verwerven? Roland Pelle zoekt doorlopend de verbanden tussen jong en oud, tussen de generaties. Waarom wordt de bibliotheek niet dé ontmoetingsplaats waar kinderen en ouderen met elkaar in gesprek gaan en van elkaar kunnen leren. En, iets commerciëler: als er straks jaarlijks 3 miljoen Chinese toeristen Nederland bezoeken, waarom steken we dan niet meer energie in het opleiden van (oude) ambachtslieden, zoals klompenmakers en mattenvlechters? Meester en gezel, dat spreekt hem aan.

Maar toch: ‘Ik ben geen ondernemer, ik ben niet de man van de keiharde beslissingen of degene die leiding geeft aan reorganisaties’. Hij is bevlogen, zeker, maar ook vertederend zacht en gevoelig.’Ik ben wel ondernemend, ik geef nooit op, frustratie bestaat niet. Als ik niet rechtdoor kan, dan ga ik via een omweg om mijn doel te bereiken’. Zijn vader die bij Binnenlandse Zaken werkte, bracht op een dag een suikerzakje mee, met de tekst: ‘Levende vissen zwemmen tegen de stroom in, dode drijven met de stroom mee.’

Op dit moment werkt hij in zijn bedrijf YoungCrowds samen met het Metropole Orkest dat op innovatieve wijze het muziekonderwijs binnen het (basis)onderwijs wil terugbrengen. Ze ontwikkelden een muziekleerlijn, in werkboekjes en via een digitaal platform voor leerlingen van de bovenbouw. Filosofie: ieder kind, muzikaal of niet, met of zonder muziekles in de bagage, moet de schoonheid van muziek kunnen verkennen en ervaren. De leerlijn ondersteunt op een toegankelijke manier ook leerkrachten, die niet goed hun weg weten in de muziek.

‘Crisis is maar een woord. Natuurlijk heb ik nachten wakker gelegen, toen Kidsweek financiële problemen had. Maar als je gezond bent en een boterham met tevredenheid hebt, wat moet je dan nog meer willen? De tijd van bankiers en accountants is voorbij. Het is niet meer de tijd van hebben, maar van delen en terughalen van solidariteit, daar kunnen ziektekostenverzekeraars nog wat van leren’. Bezielend verband klinkt misschien ouderwets, maar dat is wat Roland Pelle drijft.

 

“Ik wil schoonheid overdragen en ellende in de schaduw zetten”

Foto: Bonnita Postma

Als ik ’s avonds om half negen aan haar keukentafel tegenover Geneviève Waldmann (Utrecht, 1961)  zit, is ze voor de verandering eens op tijd thuis. Deze flamboyante en hartelijke directeur-uitgever van Luitingh-Sijthoff (L/S) weet wat ze wil en barst van de energie en dat straalt ze aan alle kanten uit. De energie kreeg ze gratis mee van haar moeder (die het gezin runde én directeur van een basisschool was), maar kríjgt ze ook van wie en wat ze tegenkomt en opzoekt in het leven: reizen, werken, tentoonstellingen, mensen ontmoeten, toneel, film, diverse boeken tegelijk lezen. En dan nog de CPNB (die de promotie van het Nederlandse boek verzorgt) en het Literatuurhuis in Utrecht mee besturen. Of samen met echtgenoot Hans hun dochter die in Engeland studeert bezoeken….

Ze komt uit een rood nest, waar bij begrafenissen de Internationale gezongen werd, Willem Drees een voorman was en waar verheffing van het volk, het oude ideaal van de arbeidersbeweging centraal stond en vandaag de dag nog staat. Verheffing, emancipatie, betekent mensen in contact brengen met kunst, boeken, andere culturen en eist leiding en moraal. De vader van Waldmann moest op zijn 14e aan het werk en werd drukker. Tijdens haar studie kunstgeschiedenis kwam ze in aanraking met het werk en gedachtegoed van Willem Sandberg, de grote vernieuwer van het Stedelijk Museum en van oorsprong typograaf. Sandberg bouwde steigers om het Stedelijk, zodat mensen die nooit in een museum kwamen door de ramen konden kijken wat daar allemaal te doen en te zien was. Dus ja, verheffing is wel een rode draad in haar leven. Ze schreef de biografie van alleskunner Pieter Brattinga, grafisch ontwerper, rechtenbehartiger van Dick Bruna. Ze noemt Brattinga een ‘creatief organisator’, een typering die volgens mij ook heel goed bij haarzelf past. Als volksverheffing een rode draad is bij haar, dan is grafisch (druk)werk dat net zo goed: haar vader, de kunstgeschiedenis, haar liefde voor boeken, Sandberg en Brattinga, hoeveel bewijs is nog meer nodig?

Waldmann denkt in concepten, net zoals in een Gesamtkunstwerk meer disciplines bij elkaar komen. In de uitgeverij niet alleen het boek, maar ook de marketing, de publiciteit, auteursmanagement, mogelijke verfilming, toekomstige boekvarianten enz. Ze neemt graag het initiatief om daarna het plan met haar mensen te bespreken en te beslissen. Ze weet dat ze soms te snel gaat, dat ze dan te weinig ruimte voor feedback en vragen neemt. Ze is niet bang om ergens alleen voor te staan, maar: ‘Beter kritisch naar je baas en goed met je eigen mensen’. In haar tijd bij ECI, toen onderdeel van de grote Duitse uitgever Bertelsmann kwam ze in aanraking met de Myer-Briggs Type Indicator (MBTI). Moeder en dochter Myer en Briggs ontwikkelden op basis van de ideeën van Jung zestien persoonlijkheids-typeringen (zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Myers-Briggs_Type_Indicator). Waldmann is dan ENTP (extravert, intuitive, thinking en perceiving), maar de eye-opener voor haar was dat je in je team diversiteit moet zien te krijgen, geen kopieën van jezelf. Opmerkelijk is dat ze er niet voor zou voelen zelf van de grond af aan een eigen uitgeverij te beginnen. ‘Ik moet vliegen, ruimte ervaren en niets te maken hebben met ICT, administratie etc’. En nu geniet ze van het grote succes van ‘De mooie voedselmachine’, de bestseller van de jonge Duitse Giulia Enders. Best toeval, zegt ze, dat zoiets gebeurt, maar de directie van VBK wijst op haar bewuste keuze om vorig jaar non fictie aan de uitgeverij toe te voegen en dan valt zoiets je toe.

leven (1)We pakken het diagram er bij. Wat de wereld nodig heeft is schoonheid, zegt ze. Dat kan een idee zijn of een muziekstuk of iets anders. Ze wil mensen enthousiast maken, zodat die het op hun beurt weer overdragen en de schoonheid blijft en daarmee de lelijkheid en ellende naar de kroon steekt. Al valt het in deze tijd niet mee, met IS en met de aanslagen op het vrije woord. Niet polariseren, maar de dialoog, mensen op één niveau krijgen. Als mensen partner van elkaar zijn,kom je een stap verder.

‘Ik ben de man van de druilerige dinsdagochtend’.

Gerbert van Loenen foto Twittter

 

 

 

Zijn nieuwe boek, ‘Lof der onvolmaaktheid’ is net uit. Gerbert van Loenen (Alkmaar, 1964) zit ontspannen aan tafel in zijn prachtige appartement aan het Victorieplein in Amsterdam, als we elkaar spreken. Ook nu is hij weer op zoek gegaan naar dat wat afwijkt van de grote beweging in maatschappelijke ontwikkelingen. Niet meegaan in hysterie, blijven nadenken. Vóór Pim Fortuyn schreef hij al in de krant kritisch over immigratie, terwijl hij zich ná Fortuyn juist ongemakkelijk voelde bij de wel erg felle kritiek op de instroom van buitenlanders. ‘Lof der onvolmaaktheid’ laat zien hoe mensen omgaan met ernstige ziekte of handicaps, waarbij ze vaak veel diverser zijn dan in de media nu zichtbaar wordt.

Hij is net weg bij dagblad Trouw, waar hij bijna 25 jaar werkte. Hij voelde zich zó verbonden met de krant dat hij het in deze fase niet kan opbrengen ermee geconfronteerd te worden. ‘Je gaat ook niet met je ex in één huis wonen’. Zelfs op zijn Blendle-account zijn de artikelen uit Trouw geschrapt. Het lijkt de keerzijde van ‘waanzinnige’ loyaliteit: dat de wond na een scheiding dieper is. Gerbert is vol lof over de Persgroep, uitgever van o.a. De Volkskrant, Het Parool en Trouw. ‘Toen Persgroep PCM overnam, voelde je onmiddellijk de nieuwe wind: liefde voor het vak, voor het product en voor de klant. Veel beter dan management dat het Excel-sheet heilig verklaart.’

Passie, ‘Ausdauer’ en ook grote tegenslagen kenmerken zijn leven. Op zijn 18e pleegde zijn zus die vijf jaar ouder was suïcide. Dat zorgde bij hem, naast emotie en verdriet, voor een verdubbelde levenslust: hij probeerde goed te maken wat zijn zus niet kon. Bijna twintig jaar geleden, hij was 33, kreeg zijn vriend Niek een hersentumor, waarna een verkeerd uitgepakte operatie zware handicaps veroorzaakte, lichamelijk en geestelijk. Gerbert nam de sterk veranderde Niek weer in huis, maar besloot vier jaar later alleen naar Berlijn te gaan, toen hij daar correspondent kon worden. Kwam elke maand een lang weekend naar huis om er voor Niek te zijn. Voor Niek was Gerbert nog steeds zijn vriend, andersom was Niek voor Gerbert een ‘belangrijke man’ geworden. Niek overleed in 2005.

leven (1)Hij kan mensen meenemen, zegt hij. ‘Ik ben op mijn best op een druilerige dinsdagochtend, als de lamlendigheid toeslaat. Dan zorg ik graag met humor en debat voor wat reuring’. Dat was zijn kracht bij Trouw en dat lijkt ook zijn visie in de persoonlijke keuzes die hij maakt. Als we het diagram bekijken, valt op dat hij in hart en nieren een schrijver is, iemand die dingen uitzoekt, iets niet voor zoete koek aanneemt. En een enorme liefde voor taal die niet academisch is. Hij put uit veel meer buitenlandse bronnen dan alleen de zo geroemde BBC. Hij geeft tegenwoordig lezingen, ook in Duitsland, over zijn boeken en wat er speelt in de maatschappij. En hij houdt van het religieuze, van levenswijsheid die door generaties is overgedragen. Juist in deze tijd, nu kerken leeglopen en de ontzuiling voltooid is, is de behoefte aan zingeving alleen maar groter. Maar kritiek op religie, christendom of islam is heel goed, daar wordt geloof sterker van.

Hij twijfelt over de weg die hij zal kiezen. In de journalistiek blijven? Vertrekken uit Amsterdam, al is het tijdelijk? Zijn vriend woont in het oosten van het land, dat trekt ook. Het is misschien goed om niet je leven lang bij dezelfde liefde te blijven (Trouw, Amsterdam, journalist zijn). Laatst gaf hij een lezing in Leeuwarden, kreeg toen veel interessante vragen, dat maakte gelukkig. Zo zegt de Amerikaanse psycholoog Csikzentmihalyi: geluk is geconcentreerd een activiteit uitvoeren die je zelf bepaalt, die niet te gemakkelijk en niet te moeilijk is, die een duidelijk doel heeft en waarop je direct feedback krijgt.

Welkom

Beste lezer,

tom-e1351607191205-275x300Wat is het toch heerlijk om vernieuwend bezig te zijn. Taal in vele vormen is mijn passie: mooie woorden, begrippen, zinnen, romans, biografieën, columns, goed geschreven nieuwsartikelen. En het vrije woord loopt als een rode draad door mijn leven: in mijn vroegere werk voor de dagbladen Trouw en Leeuwarder Courant en de boekenuitgeverijen Kok en Ten Have en nu dan het vrije denken over God en zingeving bij de Remonstranten.

Onlangs heeft Stevan de Boer uit Emmeloord me geleerd met wordpress een eigen website te bouwen. Nu we bij de Remonstranten bezig zijn de site onder de loep te nemen, is dat een voordeel. En daarnaast stelt het mij in staat mijn liefde voor taal en schrijven te (be)oefenen en er hopelijk een groter podium voor te vinden. Mijn creatieve ingeving hiervoor is het ‘LinkedInterview’©. Ik ga in gesprek met mensen met wie ik via LinkedIn verbonden ben. Vervolgens zet ik de weerslag compact op de site. Ik ben heel benieuwd hoe me dit zal vergaan, hopelijk wordt het spannend  en verrassend. Aanstaande dinsdag spreek ik mijn eerste gast. Het verhaal volgt dan snel op de site.

Ik ben nieuwsgierig naar je reactie!